Eriksen, T.H., 2007. Nationalism and the Internet, in: Nations and Nationalism, nr. 13, 2007, 1-17.

 

De auteur bouwt in dit artikel verder op het onderzoek van Ernest Gellner rond het concept van ‘nationalisme’. Centraal in Gellner’s argumentatie is dat nationalisme de natiestaat heeft helpen creëren, en niet omgekeerd. Hij bouwt een theorie uit van territoriaal gebonden identiteitsvorming. Het is logisch dat nationale identiteiten voornamelijk territoriaal verbonden zijn. Toch merkt de auteur dat daar waar natiestaten gebonden blijven tot hun territorium, cultuur, politiek, economie, mensen en structuren van macht deze verbondenheid aan de grenzen kunnen overstijgen. De territoriale integriteit van de natiestaat is niet langer een voorwaarde voor een werkende unificerende nationale identiteit. Nu blijkt het interessant om in het licht van deze ideeën de rol van het Internet te analyseren. Naties die hun territorium kwijt zijn, die om politieke redenen verspreid werden, etc. verschijnen op het Internet, met duidelijke doeleinden. “In the global era of movement and deterritorialisation, the Internet is used to strenthen, rather than weaken, national identities” (1).

We leven in een tijdperk dat gekenmerkt kan worden door migraties, transnationalisme, etc. Gellner  haalde het concept van ‘diasporanationalisme’ aan, “a distinctive, very conspicious and important sub-species of nationalism” (2). De factoren die nationalisme drijven en loyaliteit scheppen bij de aanhangers van de natie zijn vandaag grensoverschrijdend. In deze processen blijken de nieuwe communicatietechnologieën een belangrijke rol te spelen. Hierbij ontstaat het fenomeen van “virtueel nationalisme”. De auteur argumenteert dat aangezien immigranten nooit volledig geassimileerd kunnen worden, deze complexe en kwetsbare gemengde identiteiten vormen. In deze situatie vormen de transnationale netwerken met mensen van hun oorspronkelijke locatie een alternatief of een aanvulling voor hun onvolledig lidmaatschap bij een natiestaat. De vele migraties en de nieuwe communicatietechnologieën “create new conditions for collective identity management” (3).

Eriksen onderscheidt centrifugale en centripetale krachten bij dit proces :

          McLuhan en het concept van ‘global village’ : de gemeenschap met dewelke individuen zich kunnen identificeren kan eveneens, en voor het eerst in de geschiedenis de hele wereld omvatten.

          Individualisme : het resultaat van modernisering leidt ons tot de conclusie dat gemeenschappen alsmaar bescheidener worden.

Dit lijkt in eerste opzicht tot een paradox te leiden maar volgens de auteur is er geen contradictie tussen het individualisme en de groei van abstracte gemeenschappen, integendeel. We leven in een situatie gekenmerkt door complexiteit, waarbij heterogeniteit de norm is, en monoculturalisme de uitzondering. Tegelijk blijven belangrijke machten werken tegen ordeverstoring en het afbreken van grenzen.

Internet wordt dus gezien als een “re-embedding technology”. Het kan nationale identiteiten reproduceren over grote afstanden om mensen te verenigen in virtuele gemeenschappen.  Eriksen onderscheid drie vormen van communicatie via het Internet :

(1)    Unilateraal – gebruik als massamedium

(2)    Bilateraal

(3)    Tussenliggende vormen

Al deze vormen van communicatie worden gebruikt door organisaties, groeperingen en individuen met nationalistische politieke agenda’s. “Internet is becoming the major medium for consolidation, strengthening and definition of collective identities, especially in the absence of a firm and institutional base” (4).

De Koerden vormen één van de grootste etnische groepen die nooit een natiestaat onder hun controle hebben gehad. De Koerdische diaspora is uitgestrekt en vormeloos. Ze hebben geen communicatie-infrastructuur in hun land(en) van herkomst. Als antwoord op deze nood hebben Koerden in het buitenland talrijke media tot leven gebracht. Deze dienen om een collectieve identiteit op te bouwen, maar eveneens om de Koerdische kwestie wereldwijd bekend te maken. Lacking a state, the task of creating a Kurdish civil society and collective identity is largely left to private entreprise” (5). Daar het grootste deel van de Koerdische elite gevlucht is naar het buitenland, is Internet het perfecte medium geworden voor het verspreiden van informatie voor Koerden, maar ook voor de versterking van de Koerdische identiteit. Zonder deze nieuwe communicatietechnologieën, zou de creatie van een gevoel van ‘behoren tot de gemeenschap’ in deze situatie veel ingewikkelder zijn. In deze context van diaspora en van onvolledige integratie helpt Internet bij het scheppen van een gevoel van sociale cohesie, en van culturele integratie. Het creëert een vorm van identificatie. “ Virtual nations on the Internet can serve both as a compensation for the nation they have lost, and as rallying-points for future and imminent political action” (6). Het is belangrijjk te noteren dat de auteur onderscheid maakt tussen verschillende vormen van gebruik van het medium door diasporas, in functie van hun relatie tot nationalisme. Het is duidelijk dat niet elke website, youtube-film e.a. oproepen tot politieke actie. Het punt is hier dat het medium opportuniteiten schept voor onafhankelijkheidsstrijd in absentia, en dat deze ook benuttigd worden door de Koerdische diaspora.

 

 

(1)    Eriksen, p.1

(2)    Gellner 1983 : 101

(3)    Eriksen, p. 6

(4)    Eriksen, p.8

(5)    Eriksen, p.9

(6)    Eriksen, p. 12